woensdag 28 april 2010

The Virtual Revolution (Canvas): deel III

De derde uitzending van “The Virtual Revolution” was voor mij als database marketeer wellicht de meest interessante aflevering uit deze vierdelige BBC-reeks. In ‘The cost of free’ kwam – net zoals in de vorige afleveringen (zie blogartikel 1 & 2) – een nieuwe paradox bovendrijven. Hoe meer je een gratis internetoceaan creëert op het internet, des te meer consumenten zullen verdrinken door de onzichtbare kapitalistische ijsbergen.

Op 10 april 1912 verliet de Titanic de haven van South Hampton. Het was in die tijd het grootste schip en zogezegd onzinkbaar. Ondertussen zouden we moeten weten waartoe dergelijke grootschalige projecten zonder permanente waakzaamheid en nederigheid leiden. Zijn we ons als consument wel bewust van de onzichtbare ijsbergen? We zoeken gratis nieuws op, connecteren gratis a volonté met Britney Spears, volgen gratis de laatste tweets van Vincent van Quickenborne en lanceren zoekoprachten op Google zonder dat we het voelen in onze portemonnee, etc. Als consument voel je je king of the World. Wat is er trouwens in hemelsnaam mis met gratis? Twee uitspraken tijdens de uitzending vatten het antwoord op deze vraag mijns inziens goed samen. Douglas Rushkoff, auteur van Life Inc. formuleert het kort en bondig:”The product online is not the content, the product online is you” en Lt Col Greg Conti vervolgt met : “We are disclosing an unprecedented amount of information about ourselves to third parties and that really makes me very very concerned (…) you can’t put the genie in the bottle once it’s out there”. Kortom, wij zijn onbewust een handelswaar geworden doordat we als compensatie voor gratis content onze data afgeven, die voor marketeers een schatkamer aan informatie bevat. In 2007 gaf prof. Hendrik Speck trouwens een uiteenzetting over social network Analysis. Enkele slides bevatten een mooi overzicht van de data die consumenten allemaal achterlaten om hun informatiehonger te stillen.


Met de verworven data kunnen marketeers aan behavorial targetting doen. Dat kan gaan van vrij onschuldig tot en met een diepe aantasting van de privacy. Zo zullen er maar weinig mensen bezwaar hebben tegen het feit dat een website via een cookie onthoudt dat u graag een website in het Nederlands leest. Het gaat al iets verder als uw vrienden op Facebook of Ebay lezen welke pikante DVD’s u gisteren hebt gekocht. Beacon was een voorbeeld van dergelijke praktijken dat uiteindelijk werd afgevoerd wegens een aantasting van de privacy. In de reportage was het AOL search data scandal een mooi voorbeeld van een ultiem doomscenario voor onze privcay. In augustus 2006 werd een file gelekt met alle zoekopdrachten van de afgelopen 3 maanden op AOL. Ondanks het feit dat de data gecodeerd waren met een anonieme ID-nummer, slaagde de New-york times er toch in om een gezicht te plakken op sommige ID’s.

In de reportage werd naast het privacy-issue nog een ander probleem blootgelegd. Door de verzamelde data worden consumenten voorspelbare wezens of we maken er als marketeers alleszins voorspelbare wezens van. Marketeers schotelen hetzelfde genre dvd’s, reizen of boeken voor omdat data heeft uitgewezen dat we dit in het verleden nu eenmaal graag kochten. De statistische kans op een nieuwe aankoop is dan het grootst. Een nadeel is dat we op die manier geen nieuwe dingen leren ontdekken. Serendipity – wat een mooi woord trouwens – wordt de mond gesnoerd . We mogen als consument niet ongevraagd het schip verlaten om het avontuur te ontdekken.


Moeten we nu als consument paranoïde worden? Moeten we marketeers zonder verdoving aan de schandpaal nagelen? Absoluut niet! De moderne technologie en bijhorende data moeten ten dienste staan van de consument. Het grote gevaar zit hem echter niet in het feit wat er vandaag met onze data gebeurt, maar eerder wat er in de toekomst met deze data kan én zal gebeuren. Het is te gemakkelijk om alle verantwoordelijkheid daarbij in de schoenen te schuiven van marketeers. Voor een groot deel moeten er natuurlijk wetten en deontologische codes zijn. Het grote gevaar komt echter van de consumenten zelf die hun data actief verspreiden door het invullen van webformulieren in de hoop dat er gratis snoep uit de automaat valt. Consumenten moeten waakzaam zijn en blijven. Enkel het topje van de ijsberg is gratis en zichtbaar. Geloven dat er absoluut niks mis kan gaan is voor 1500 consumenten 100 jaar geleden ook anders uitgedraaid.

donderdag 22 april 2010

De Virtual Revolution (Canvas) deel II

Eergisteren werd het tweede deel van de Virtual Revolution op mijn netvlies gebrand: Enemy of the State. Daar waar het eerste deel zich mijns inziens voornamelijk focuste op de paradox van de gelijkheid (lees vorig blogartikel), werd in dit tweede deel een nieuwe paradox blootgelegd van de revolutie. Het initiële doel van het internet was immers meer “broederschap” tussen mensen te creëren. Door meer mensen met elkaar te connecteren duiken er echter ook steeds meer krachten op die deze broederschap willen manipuleren.







Liberté, égalité, Fraternité of the internet: De tweede paradox
Stel je voor dat er al internet zou bestaan tijdens de Franse Revolutie. Zou de Franse republiek er dan sneller of juist niet gekomen zijn. Zou koning Lodewijk XVI zijn iphone in aanslag hebben gehouden om de twitterberichten over hem te checken? We zullen het waarschijnlijk nooit te weten komen. Tijdens deze tweede reeks werden wel een aantal actuele voorbeelden aangehaald waarbij online-platformen zoals Twitter een strijdmiddel zijn geworden om mensen te mobiliseren tegen bepaalde regimes of instellingen. Dat heeft het Iraanse regime mogen ondervinden tijdens de twitterrevolutie. Het internet zet aan tot solidariteit, empowerment en geeft macht aan individuen. Iedereen die een internetverbinding heeft, bezit de macht om iets bij te dragen. Het spreekt voor zich dat ook de overheid en andere instellingen die bloot staan aan kritiek zich wapenen tegen deze waterval aan kritische woorden op Twitter, Facebook en andere social media. Op die manier ontstaat een nieuwe virtuele wapenwedloop. Enerzijds tussen burgers en staat, anderzijds tussen staten onderling. Een schoolvoorbeeld in deze wapenwedloop is China, dat zich zeer schizofreen gedraagt. De navelstreng met de digitale buitenwereld wordt op geregelde tijdstippen door een overheidswasknijper dichtgeknepen. De angst dat de buitenwereld (Het Westen) gevoed zou worden met de interne keukenaangelegenheden is immers groot. Op andere momenten wordt de wasknijper door de overheid juist opengezet zodat het Chinese volk gevoed wordt met de juiste propaganda. Fifty Centers – bloggers die betaald worden door de overheid – zorgen daarbij voor de nodige content. Tegelijkertijd recruteert de Chinese overheid op grote schaal – edoch onofficieel – hackers die bedrijfscomputers van onder andere Amerikaanse multinationals moeten leegslurpen zoals een Starbucks meeneemkoffie.

Niet alleen bestaande groeperingen en overheden hanteren het internet als een afspiegeling van de real world. Door het internet ontstaan er eveneens tribes en andere zaken die anders nooit zouden ontstaan zijn. Een positief voorbeeld is het ontstaan van Paypal, een virtuele eenheidsmunt. Er is echter ook een keerzijde aan het ontstaan van deze tribes. Individuen met een fatalistisch of terroristisch gedachtengoed creëren dankzij het internet een vorm van ‘portable homeland’. Zij hebben niet tot doel om broederschap te brengen onder de wereldbevolking. Ze hanteren het internet (Youtube, blogs, etc.) om een boodschap van haat up te loaden. Door een interne samenhorigheid en broederschap zien ze alleen nog maar de anderen als een outgroup. Het is mijns inziens dan ook een terechte reflectie die op het einde van de reportage werd gemaakt: wat als iedereen online komt in plaats van de huidige 25% van de wereldbevolking? Groeien er dan nog meer ingroups en outgroups? Gaan we ons binnen tien jaar 's nachts veiliger voelen in de buitenwijken van Brussel dan in cyberland? Laten we gewoon binnen nog eens 20 jaar afspreken om verder te debateren. Zelfde plaats, zelfde zender.

woensdag 14 april 2010

Canvas-uitzending: Virtual Revolution

Indien ik vandaag een teletijdsmachine zou hebben en terugkeerde naar de jaren '70, wat zou ik dan zeggen? Indien ik dan zou beweren dat er een virtual revolution op de mensheid zou afkomen, zou ik vermoedelijk de herinvoering van de guillotine op mijn hals halen of toch tenminste de stempel insane op mijn achterwerk gebrand krijgen. Het is immers bijna ongeloofwaardig welke nieuwe revolutie we hebben doorstaan. We zijn er ingerold zonder er echt stil bij te staan. Reden genoeg voor de BBC om er een vierdelige reeks aan te wijden onder de titel: The Virtual Revolution. Canvas zond gisteren de eerste aflevering uit. De opbouw van de eerste aflevering van “virtual revolution” zat mijns inziens goed in elkaar. Ik onthoud uit deze eerste uitzending voornamelijk hoe de goede intenties van gelijkheid misschien nog meer ongelijkheid veroorzaken.

Liberté, égalité, Fraternité of the internet?
Het internet vindt zijn wortels volgens sommigen in het hippie-tijdperk terug waarbij tegen de schenen van de gevestigde autoriteiten werd geschopt. Een nieuwe orde waarbij iedereen op gelijke voet samenleefde was de ultieme droom. Het was in deze potgrond dat de filosofie van het internet werd geplant. Doorheen de jaren is het een reuzenboom geworden met ontelbare takken. In theorie heeft iedereen toegang tot het web en kan iedereen content plaatsen. Het ligt – ondanks de goede voornemens – vermoedelijk in de aard van het menselijk beestje dat macht, geld en ongelijkheid een triumviraat is dat al eeuwen onverroest meegaat. Microsoftoprichter Bill Gates begreep niks van de gratis-softwarepolicy in de beginjaren van het internet en begon zijn Internet Explorer-pakket tegen betaling door het figuurlijke computerstrot te rammen van de consument, tegen betaling en zonder alternatief. Vele rechtzaken later is er wel concurrentie, maar Microsoft blijft met zijn Internet Explorer nog steeds de grootste. Op het internet vind je daarnaast misschien verschillende online boekenwinkels, zoekmachines en netwerksites, maar de skepter wordt toch gezwaaid door slechts een handvol bekende merken als Ebay, Google en Facebook. Wikipedia is misschien nog het mooiste voorbeeld hoe de goede intenties van “liberté, égalité en fraternité” niet konden ontsnappen aan de menselijke hiërarchische structuren. Dat gaf de oprichter van Wikipedia ook zelf volmondig toe in de reportage. Volledige democratie is slechts een utopie. Er zijn steeds mensen nodig die beslissen en optreden als gatekeepers.

Ik denk persoonlijk dat de theorie van de Franse socioloog Pierre Bourdieu op heel de reportage goed van toepassing is. Er zal steeds een machtsstrijd zijn tussen burgers, of dit nu in de reële wereld of virtuele wereld is. Hoe je het draait of keert zal er steeds kapitaal om het hoekje komen kijken. Wie heeft het geld om de snelste servers te betalen, Google Adwords te plaatsen,copywriters met goede seo-kennis te betalen, netwerken uit te bouwen,etc. Het zijn maar enkele voorbeelden hoe de droom van de utopische gelijkheid nooit verwezenlijkt kan worden. Misschien moet ik dezelfde teletijdsmachine nemen waarover ik in het begin sprak en naar de toekomst reizen. Gewoon uit nieuwsgierigheid om te zien wat er nog op ons zal afkomen. Het is goed mogelijk dat het internet dan niet meer bestaat en dan heb ik dit blogje helaas voor niks geschreven.